Okra
Okra cirkels


Algemeen  



Okra Verkeerdt: verkeerscursus

Neen, er staat geen fout in de titel hierboven. We willen enkel uw aandacht trekken op een nieuw initiatief van Okra dat U gedurende ons komend werkjaar herhaaldelijk zult zien opduiken.
Mobiel zijn en blijven vormt een belangrijk onderdeel van de levenskwaliteit van de senior. Het zich veilig kunnen verplaatsen ook op oudere leeftijd zorgt ervoor dat hij kan blijven deelnemen aan het maatschappelijk leven.

Okra als beweging voor de 55-plussers beseft dit ten volle en heeft van Mobiliteit het thema gemaakt waarrond de komende twee werkingsjaren zal worden gewerkt. De voorbije weken hebben we reeds actie gevoerd om een aantal knelpunten binnen ons openbaar vervoer weg te werken. Maar ook het klassieke privé-vervoer over de weg vraagt onze aandacht.
Velen onder ons hebben in de late jaren zestig hun rijbewijs ontvangen zonder voordien enige kennis- of praktische proef te hebben moeten afleggen: een verklaring op erewoord volstond. Zelfs voor diegenen die wel ooit een theoretisch examen dienden af te leggen is het verkeersreglement sindsdien dusdanig gewijzigd dat een opfrissingcursus aangewezen wordt: alleen al sinds het jaar 2000 werd, o.a. om in overeenstemming te komen met de Europese regels, het Belgisch verkeersreglement een veertigtal keren gewijzigd. Onder andere de voorrangsregels, snelheidsvoorschriften, uitrusting der voertuigen, houding t.o.v. zwakke weggebruikers, het parkeren, de wegsignalisatie en de verkeersborden waren het onderwerp van somtijds ingrijpende wijzigingen en aanpassingen.

Weggebruikers en zeker de ouderen onder ons zijn niet altijd even goed thuis in het verkeersreglement en daarom start Okra in het voorjaar van 2011 op een honderdtal plaatsen in Vlaanderen met een opfrissingcursus. Tijdens vier namiddagen gespreid over vijf weken krijg ook jij de kans om uw verkeerskennis bij te schaven. Wij doen dit samen met leeftijdsgenoten en in en aangename sfeer waarbij de inhoud en de aanpak van de cursus perfect aan de 55-plusser zijn aangepast.

De opfriscursus ‘Okra Verkeerd(t)’ is op punt gesteld door Okra-leden die hun kennis en ervaring in dit verband gebundeld hebben om een unieke cursus samen te stellen die volgens de meest aangewezen methodologie en ondersteund door de beste didactische middelen resultaat garandeert.
Naast een opfrissing van het huidige verkeersreglement krijg je ook zicht op de specifieke verkeersproblemen van de ouderen. Dit alles krijg je op een eenvoudige manier gepresenteerd met voorbeelden uit de dagelijkse, ook Lovendegemse, praktijk.
De cursus is uitgebreid getest en na afloop is het oordeel unaniem: men voelt zich een stuk zekerder (en veiliger).
Wij voorzien in Lovendegem in de periode februari-maart een cursus bestaande uit vier sessies (telkens met een duur van twee uur). De locatie is de Osschaertzaal van ons parochiaal centrum en de prijs per les bedraagt 2,50 euro (documentatie en koffie inbegrepen (totaal 10 euro voor de ganse cyclus). Die aan alle sessies deelneemt krijgt op het einde een getuigschrift.

Volgende onderwerpen staan geprogrammeerd en gerangschikt per sessie:
1. Alfabet van het verkeersreglement - basisregels - weg - voorrang - verkeersborden - wegmarkeringen enz.
2. De zachte weggebruiker: de voetganger - de fietsers
3. Mijn wagen: verplichte uitrusting - documenten - politiecontrole - ongeval
4. Samen op weg - maneuvers - relatie tussen wegebruikers.

De cursus is gepland op maandagen 14/2, 21/2, 28/2 en 14/3/2010. De cursus staat open voor alle senioren (55-plus) al dan niet Okra-lid. De inschrijving vooraf is verplicht en kan vanaf 1 januari 2010 bij Annette (09/372.87.00) of via e-mail: antoon.mestdag@telenet.be. (T.M.)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 1

De verkeerswet, en bij uitbreiding al zijn uitvoeringsbesluiten, hanteert een eigen terminologie. Iedere gebruikte term heeft zijn eigen unieke betekenis. De voornaamste definities zullen we in deze en volgende afleveringen behandelen.
Pad: een smalle openbare weg die alleen het verkeer toelaat van voetgangers en van voertuigen die geen bredere ruimte dan de voor voetgangers vereiste ruimte nodig hebben.
Commentaar: het merendeel van onze kerkwegels zijn paden.
Aardeweg: een openbare weg die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.
Een aardeweg verliest zijn hoedanigheid niet zo hij enkel bij zijn aansluiting met een andere openbare weg het uitzicht van een rijbaan heeft.
Commentaar: is van belang bij de voorrangsregeling.
Voertuig: elk middel van vervoer te land alsmede alle verrijdbaar landbouw- of bedrijfsmateriaal.
Commentaar: een kruiwagen, een stootkar,een bakfiets, een landbouwtractor en een pikdorser zijn voertuigen evenals een caravan en een bulldozer.
Rijwiel: Elk voertuig met twee of meer wielen dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handgrepen door één of meer van zijn gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een driewieler of een vierwieler. De bevestiging van een elektrische hulpmotor met een nominaal continue vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk verminderd en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt of eerder indien de bestuurder ophoudt met trappen, brengt geen wijziging in de classificatie als rijwiel.
Een niet bereden rijwiel wordt niet als voertuig beschouwd.
Commentaar: een tandem is een fiets. Een elektrische fiets blijft een fiets (en geen bromfiets) op voorwaarde dat de krachtsensor in de braquet ingebouwd is en dus het vermogen maar vrijkomt wanneer de bestuurder pedaleert.
Bromfiets: ofwel een bromfiets klasse A dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogte 50 cm³ bedraagt of met een elektrische motor en dat naar bouw en motorvermogen op een horizontale weg niet sneller kan rijden dan 25 km/uur.
Commentaar: de zgn 'snorfiets'.
Ofwel een bromfiets klasse B dit wil zeggen elk twee of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm³ bedraagt of met een elektrische motor en dat naar bouw en motorvermogen op een horizontale weg niet sneller kan rijden dan 45 km /uur met uitsluiting van de bromfietsen van klasse A.
Ofwel een vierwielig voertuig uitgerust met een motor waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm³ bedraagt voor de motoren met elektrische ontsteking of voor andere typen van motoren met een netto maximumvermogen van ten hoogste 4 kW en dat naar bouw en motorvermogen op een horizontale weg niet sneller kan rijden dan 45 km /uur. De niet bereden tweewielige bromfiets wordt niet als voertuig beschouwd. Wordt vervolgd. (Tony Mestdag)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 2

Bromfiets (vervolg): De voertuigen bestuurd door mindervaliden uitgerust met een motor die niet toelaat zich sneller dan stapvoets te bewegen, worden niet als bromfiets beschouwd.
Stilstaand voertuig: een voertuig dat niet langer stilstaat dan nodig is voor het in of uitstappen van personen of voor het lossen of laden van zaken.
Commentaar: een bus van de Lijn die reizigers laat in- of opstappen, een tankwagen die stookolie aan huis levert, een verhuiswagen, zijn stilstaande voertuigen.
Parkerend voertuig: een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in -of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken.
Commentaar: Het onderscheid tussen stilstaan en parkeren is zeer belangrijk: op de plaatsen waar niet mag geparkeerd worden mag een voertuig misschien wel stilstaan. We komen hierop later uitgebreid terug.
Speelstraat: is een openbare weg waar tijdelijk en tijdens bepaalde uren aan de toegangen een hek wordt geplaatst met een verkeersbord C3 voorzien van een onderbord met daarop de vermelding 'speelstraat'. In een speelstraat is de ganse breedte van de openbare weg voorbehouden voor spelende kinderen. De personen die er spelen worden gelijkgesteld met voetgangers.
Commentaar: de gemeente Lovendegem heeft een aanvullend reglement uitgevaardigd. Hierbij enkele uittreksels:
Art 3: Alleen bestuurders van motorvoertuigen die in de speelstraat wonen of wier garage in die straat gelegen is alsook de prioritaire voertuigen wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt, alsook fietsers, hebben toegang tot speelstraten.
Art 4: De bestuurders die in de speelstraat rijden moeten dit stapvoets doen; zij moeten de doorgang vrijlaten voor de voetganger die spelen, hen voorrang verlenen en er zo nodig voor stoppen. Fietsers moeten zo nodig afstappen. De bestuurders mogen de voetgangers die spelen niet in gevaar brengen en niet hinderen. Zij moeten bovendien dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen.
In ons gemeentelijke publicatie Inlichtingen en Mededelingen verschijnen de straten en de tijdstippen waarop ze het statuut van Speelstraat krijgen.
Rotonde: weg waarop het verkeer in één richting geschiedt rond een aangelegd middeneiland en gesignaleerd met verkeersbord D5 en waarvan de toegangswegen voorzien zijn van de verkeersborden B1 of B5 (voorrang verlenen of stoppen en voorrang verlenen).
Commentaar: het kruispunt van de Diepestraat -Vaartstraat- Vellare - Lobrug is GEEN Rotonde.
Voetganger: een persoon die zich te voet verplaatst. De personen die een kruiwagen, een kinderwagen, een ziekenwagen of enig ander voertuig zonder motor dat geen bredere ruimte dan de voor de voetgangers vereiste ruimte nodig heeft, aan de hand leiden en de personen die een fiets of een tweewielige bromfiets aan de hand leiden, worden gelijkgesteld met voetgangers.
Tip van de week: de koppelingsinrichting (trekhaak) van een personenauto die geen aanhangwagens slepen waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg overtreft of de koppelingsinrichting gebruiken als fietsendrager of motordrager is aan de technische keuring onderwerpen voor de ingebruikstelling in België van het voertuig dat ermee is uitgerust en vervolgens elk jaar vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden.(K.B. 15 maart 1968 - artikel 23ter §1 3° b.
Prijs van deze gedeeltelijke keuring (juli 2011): 11 EURO. (Tony Mestdag)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 3

Plaats op de openbare weg van voetgangers
De voetgangers moeten de trottoirs, de delen van de openbare weg voor hen voorbehouden door het verkeersbord D9 of D10 of de begaanbare verhoogde bermen te volgen en, zo er geen zijn de begaanbare gelijkgrondse bermen.
De personen die een fiets, een voortbewegingstoestel of een tweewielige bromfiets aan de hand leiden of die voorwerpen vervoeren die veel plaats innemen, moeten de rijbaan volgen zo zij in aanzienlijke mate de andere voetgangers hinderen.
Zijn er geen begaanbare trottoirs of bermen dan mogen de voetgangers de andere gedeelten van de openbare weg volgen.
1. Wanneer de voetgangers het fietspad volgen moeten zij voorrang verlenen aan de fietsers en de bromfietsers.
2. Wanneer de voetgangers de rijbaan volgen moeten zij zich zo dicht mogelijk bij de rand van de rijbaan houden en behoudens bijzondere omstandigheden links in de door hen gevolgde richting gaan. De personen die een fiets of een tweewielige bromfiets aan de hand leiden moeten evenwel rechts in de door hen gevolgde richting gaan.
Stoeten, processies en voetgangers in groep vergezeld van een leider mogen de rijbaan volgen;in dat geval moeten zij rechts gaan. Groepen voetgangers van minimum vijf personen vergezeld van een leider mogen evenwel ook de linkerkant van de rijbaan volgen. In dat geval moeten zij achter elkaar lopen.

Oversteken van de rijbaan
De voetgangers moeten de rijbaan haaks op haar aslijn oversteken (kortste weg). Zij mogen zonder dat het nodig is noch slenteren noch blijven staan. Wanneer er op minder dan ongeveer 30 meter een oversteekplaats voor voetgangers (zebrapad) is moeten de voetgangers deze oversteekplaats volgen (gebruiken).
Op de plaatsen waar tweekleurige voetgangerslichten zijn aangebracht moeten de voetgangers zich niet op de rijbaan begeven zolang de lichten hen dat niet toelaten.
Op de plaatsen waar het verkeer noch door een bevoegd persoon, noch door verkeerslichten geregeld wordt mogen de voetgangers zich slechts voorzichtig op de rijbaan begeven en met inachtneming van de naderende voertuigen.
Commentaar: wanneer men als voetgangers de rijbaan wil dwarsen kijkt men eerst naar links om zich te vergewissen dat dit veilig kan en vervolgens naar rechts.
Als men een fiets aan de hand leidt op de rijbaan moet men rechts gaan. Het is het veiligst dat u de fiets links van u houdt.
Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter moet een groep voetgangers die de rijbaan volgt gesignaleerd worden door een wit of geel licht links vooraan en een rood licht links achteraan.
Commentaar: Het is sterk aan te raden dat de voetganger die het fietspad of de rijbaan moet gebruiken bij (vallende) duisternis zijn aanwezigheid aan anderen kenbaar maakt door het dragen van fluorescerende kledij of fluorescerende banden (op rugzak, boekentas of op kledij).

Tip van de week
Een aanhangwagen met een maximum toegelaten massa van niet meer dan 750 kg moet niet ingeschreven wordt in het repertorium der voertuigen (moet ook niet periodiek geschouwd te worden). Dit soort aanhangwagens moet wel de nummerplaat voeren van het trekkend voertuig. Als u de aanhangwagen van uw buur of vriend gebruikt moet een reproductie van uw eigen nummerplaat op de aanhangwagen aanbrengen. Als u uw aanhangwagen uitleent, let er dan op dat de gebruiker een kopie van zijn nummerplaat op uw aanhangwagen bevestigt zo niet riskeert u op te draaien voor de inbreuken die de gebruiker van uw remorque zou begaan (snelheid – parkeerboetes).
Wordt vervolgd (T.M.)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 4

De fiets en het fietsen

Verplichte uitrusting van de fiets
Een fiets moet bestendig uitgerust zijn met een bel die hoorbaar is tot op een afstand van 20 meter. Dit geldt voor alle fietsen.

Signalisatie van de fiets
Wat betreft de signalisatie moet een fiets ten allen tijde reflectoren voeren: vooraan een witte reflector en achteraan een rode. In de pedalen dienen gele of oranje reflectoren te zijn ingewerkt en daarenboven moeten de wielen per wiel twee oranjereflectoren tussen de spaken voeren. Deze spaakreflectoren zijn niet verplicht indien de banden aan weerszijden voorzien zijn van witte reflecterende stroken. Een combinatie van de twee is mogelijk.
Behalve wanneer ermee gereden wordt tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter zijn de reflectoren voor en achteraan, de reflectoren op de pedalen en de zijdelingse signalisatie (spaakreflectoren of reflecterende witte strook op de banden) NIET verplicht voor:
- Fietsen die uitgerust zijn met wielen met een diameter van maximum 50 centimeter, banden niet inbegrepen (kinderfietsen).
- Fietsen die uitgerust zijn met een koersstuur alsook met banden met een doorsnede van ten hoogste 2,5 centimeter (racefietsen).
- De alle terreinen-fietsen uitgerust met banden met een minimum sectie van 38 mm voor de wielen met een diameter van 65 cm en van 32 mm voor de wielen met een diameter van 70 cm met minimum twee versnellingsraderen bediend vanaf het stuur en die daarenboven geen spatborden en geen bagagedrager achteraan hebben (mountainbikes).
- De racefietsen en de mountainbikes moeten evenwel vooraan een witte reflector en achteraan een rode reflector voeren wanneer ze met tenminste één spatbord zijn uitgerust.

Verlichting van de fiets
Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter moet de berijder van de fiets vooraan en achteraan een niet verblindend vast licht of knipperlicht voeren. Vooraan moet het licht wit of geel zijn, achteraan rood.
Commentaar: in het verleden moesten de lichten zowel bij dag als bij nacht bestendig vast aan de fiets bevestigd worden. Zij moesten altijd gebruiksklaar zijn. Momenteel moet de fiets niet meer ten allen tijde uitgerust zijn met lichten.
Het verkeersreglement laat nu toe dat de lichten bevestigd worden op de fietser zelf (rugzak kledij) of op de fiets. Momenteel zijn verlichtingsets in de handel die werken op batterijen of accu’s en die gemakkelijk te plaatsen of weg te nemen zijn. Deze lichten mogen ook knipperen.
Commentaar: een knipperend rood achterlicht is zelfs aan te bevelen.

Tip van de week: Een politieambtenaar, maar ook het schouwingstation eist dat U de originele documenten voorlegt. Deze zijn tegen vervalsing beveiligd. Het is weliswaar nuttig dat U een fotokopie neemt van uw (auto-)documenten maar deze zijn niet rechtsgeldig. Ze kunnen wel helpen als u aangifte doet van het verlies of de diefstal van de originele. (T.M.)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 5

De fiets en het fietsen (vervolg)

Tot de verplichte uitrusting van een fiets behoren ook twee doelmatige remmen, voor elk wiel één. Het type rem wordt niet bepaald zodat op dit ogenblik zowel de terugtraprem op het achterwiel ('Torpedo') als de trommelrem, de schijfrem of de klassieke (algemeen toegepaste) cantilever velgremmen. De kinderfietsen waarvan de wieldiameter niet meer bedraagt dan 50 cm hoeven slechts één rem te hebben.

Plaats op de openbare weg: Wanneer de openbare weg een berijdbaar fietspad aangeduid door twee evenwijdige onderbroken witte strepen omvat (wegmarkeringen zoals in de (Bredestraat Kouter) dan moeten de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A (snorfietsen - max 25 km/uur) dit fietspad volgen voor zover het rechts in hun rijrichting ligt. Zij mogen dergelijk fietspad niet volgen wanneer dit links in hun rijrichting ligt. Wanneer het fietspad gesignaleerd wordt door het gebodsbord D7 (blauw rond bord met wit silhouet van een fiets) dan moeten de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A (snorfietsen - max 25 km/uur) dit fietspad volgen voor zover het in de door hen gevolgde richting is gesignaleerd. Evenwel, wanneer een dergelijk fietspad links in hun rijrichting ligt moeten zij dit niet volgen indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen en op voorwaarde rechts in hun rijrichting te rijden.
Daar waar de snelheid beperkt is tot 50 km/uur of minder (de ganse bebouwde kom van Lovendegem) mogen de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B (max 45 km/uur) het fietspad aangeduid door het gebodsbord D7 of door wegmarkeringen (twee evenwijdige onderbroken witte lijnen) volgen op voorwaarde de andere weggebruikers die zich hierop bevinden niet in gevaar te brengen. Wanneer een hogere snelheidsbeperking geldt moeten de tweewielige bromfietsen van klasse B (max. 45 km/uur) het fietspad aangeduid door het gebodsbord D7 of door wegmarkeringen volgen wanneer dit aanwezig en bruikbaar is.

Verbodsbepalingen voor fietsers en bromfietsers
Het is fietsers en bromfietsers verboden te rijden:
- zonder het stuur vast te houden
- zonder de voeten op de pedalen of op de voetsteunen te houden
- door zich te laten voorttrekken (of voortduwen)
- terwijl zij een dier aan de leiband houden
- op de trottoirs te rijden. Hierop bestaat één uitzondering(art. 9.1.2.5°): fietsers van minder dan 9 jaar mogen in alle omstandigheden de trottoirs en verhoogde bermen volgen voor zover hun fiets uitgerust is met wielen met een diameter van ten hoogste 50 cm, banden niet inbegrepen, en op voorwaarde dat zij de andere weggebruikers niet in gevaar brengen.
Commentaar: alhoewel volkomen wettelijk vind ik dit een niet geheel ongevaarlijke uitzondering. Wanneer men zijn deur uitstapt, het kerkhof verlaat of de schoolpoort uitstapt kan men geconfronteerd worden met een op het trottoir fietsend kind.
Aanvullende uitrusting van een fiets: als we de ongevaloorzaken en -gevolgen bekijken van de letselongevallen valt het op dat bij aangereden of gevallen fietsers in drie kwart van de gevallen (dodelijke) hoofdletsels voorkomen. Een valhelm is dus aangewezen. Een belangrijke oorzaak van fietsongevallen wordt gevormd doordat bagage in het voorwiel terechtkomt. Remedie: vervoer geen boodschappen opgehangen in een plastic zak aan het stuur maar in een boodschappenmandje bevestigd vooraan op de fiets of op de bagagedrager of in een degelijke fietstas.

Tip van de week: Het parkeren voor de inrit van eigendommen is verboden behalve voor de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken (nummerplaat) leesbaar op de inrit is aangebracht (wegcode art 25.1.3°). Wanneer deze inrit gelegen is binnen de Blauwe Zone is de beperkte parkeertijd opgelegd door de Blauwe Zone (parkeerkaart) niet van toepassing op de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken (nummerplaat) leesbaar op de inrit is aangebracht.
Commentaar: Rechtspraak van het Hof van Cassatie:
Een inrij van eigendommen is elke inrit voor drie- of meerwielige voertuigen die uiterlijk als dusdanig voorkomt en waarneembaar is. Het feit dat een inrit zelden of niet gebruikt wordt, doet geen afbreuk aan het parkeerverbod (Cass. 16 november 1993).
Wordt vervolgd. (T.M.)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 6 - Zeer belangrijk

Zwakke weggebruikers en de objectieve aansprakelijkheid

Aansprakelijkheid: Burgerlijk Wetboek Art 1382: Elke daad van een mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt verplicht diegene door wiens schuld de schade is ontstaan deze te vergoeden.
Burgerlijk wetboek- artikel 1383: Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt.
De verplichting de schade te vergoeden die door nalatigheid of onvoorzichtigheid wordt veroorzaakt is het geval bij het vergoeden van de schade veroorzaakt bij verkeersongevallen. Tot 1953 kon men zich als bestuurder van een motorrijtuig laten verzekeren tegen dit risico. In 1953 werd de aansprakelijkheidsverzekering in België verplicht. Op dit ogenblik geldt de wet van 21 november 1989 “betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen”. In België is een motorrijtuig slechts toegelaten tot het verkeer op de openbare weg of op de openbare plaatsen indien zijn burgerlijke aansprakelijkheid gedekt wordt door een verzekering afgesloten bij een erkende verzekeringsonderneming. Voor niet gemotoriseerde weggebruikers geldt deze verplichting niet. Zij kunnen eventueel hun burgerlijke aansprakelijkheid laten dekken door een gezins- of familiale verzekering (sterk aan te bevelen).
Bij een ongeval tussen een motorrijtuig en een zwakke weggebruiker (voetganger en zijn gelijkgestelde of een fietser) zijn deze laatste doorgaans in de zwakste positie. De kans dat hij/zij bij dergelijk ongeval wordt gekwetst is zeer hoog. Volgens het burgerlijk wetboek (zie artikels 1382 en 1383 hiervoor) zou de zwakke weggebruiker bij bewezen fout van zijnentwege opdraaien voor zijn eigen schade en voor de schade die de tegenpartij (bestuurder van het motorrijtuig) zou oplopen.
De wetgever heeft in 1995 geoordeeld dat bij een ongeval waarbij een motorrijtuig en een zwakke weggebruiker betrokken waren de “automatische vergoedingsplicht ten voordele van de zwakke weggebruiker” zou ingevoerd worden. Wij noemen dit de objectieve aansprakelijkheid. Er werd een artikel 29bis is in de verzekeringswet ingelast waardoor bij een ongeval tussen een bestuurder van een motorrijtuig en een zwakke weggebruiker, de (verplichte) aansprakelijkheidsverzekering van het motorrijtuig automatisch de lichamelijke schade en de schade aan de kledij van de zwakke weggebruiker zou vergoeden, ook wanneer deze laatste verantwoordelijk was voor het ongeval. Wanneer de verzekeringsmaatschappij aldus een schadevergoeding uitkeert aan de zwakke weggebruiker betekent dit niet automatisch dat het bonus-malus stelsel van de verzekerde wijzigt: de bestuurder van het motorrijtuig heeft niet noodzakelijk een fout begaan.
Samengevat: een zwakke weggebruiker betrokken in een ongeval met een motorrijtuig wordt ongeacht zijn verantwoordelijkheid, altijd voor zijn lichamelijk letsel (hospitalisatie, geneesmiddelen, revalidatie, inkomstenverlies enz…) en voor zijn beschadigde kledij vergoed door de verzekeringsmaatschappij van het betrokken motorrijtuig. Andere stoffelijke schade (fiets bijvoorbeeld) wordt niet automatisch vergoed.
Wanneer het ongeval opzettelijk veroorzaakt wordt door een zwakke weggebruiker van meer dan 14 jaar oud is het voorgaande niet van toepassing.

Tip van de week:
Banden: de tekening van de hoofdgroeven van een luchtband moet minimum 1,6 mm diep zijn. Voor de bromfietsbanden is dit minimum 1 mm (wegcode art 81.4.1.). Banden op dezelfde as van het voertuig moeten dezelfde technische karakteristieken hebben (Technisch Reglement art 34).
Commentaar: bij het monteren, op dezelfde as, van banden met verschillende kenmerken riskeert men een wijziging in de stuurkarakteristieken en/of wegligging van het voertuig.

Brandblustoestel: moet op een vaste steun staan op een in het oog vallende en gemakkelijk te bereiken plaats. De steun van het brandblustoestel moet aan het voertuig zijn vastgemaakt en het afnemen mag niet meer dan 10 seconden in beslag nemen (Wegcode art 81.2 en Technisch Reglement art 70).
Commentaar: Uit veiligheidsoverwegingen mag een brandblustoestel niet los in de passagiersruimte of de koffer vervoerd worden. Bij een aanrijding of botsing wordt dit vrij zware toestel een “ongeleid projectiel”.
Wordt vervolgd (T.M.)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 7

Verplichtingen bij een verkeersongeval

De verkeerswet en zijn uitvoeringsbesluiten hebben als primair doel enige orde scheppen in het verkeer en te zorgen dat men als weggebruiker de gedragingen van de andere weggebruikers kan voorzien. Wanneer iemand afwijkt van dit door het verkeersreglement opgelegde handelen riskeert men een ongeval.
Commentaar: Wat is een ongeval? Het Hof van Cassatie stelt met zijn uitspraak van 8 december 1958: Een ongeval is een plotse, abnormale gebeurtenis met schadelijke gevolgen ongeacht of het gaat om lichamelijk letsel, stoffelijke schade of beide samen.
In de aflevering nr 6 hebben we het gehad over de aansprakelijkheid voor het vergoeden van de schade ook als deze schade niet gewild of opzettelijk, maar ook door nalatigheid of onvoorzichtigheid werd veroorzaakt (Burg. Wetboek – art 1383). Dit is het geval bij een verkeersongeval. Om aan de partijen toe te laten een schaderegeling voor te bereiden, eventueel langs hun (verplichte) verzekeringsmaatschappij om, heeft de wetgever aan de bij het ongeval betrokkenen een aantal verplichtingen opgelegd (Art 52 van de wegcode).
Elke bestuurder betrokken in een ongeval moet de nodige maatregelen treffen om de veiligheid en vlotheid van het verkeer te verzekeren. Daartoe moet hij zo mogelijk zijn voertuig verplaatsen. Kan dit niet dan moet hij zijn voertuig op afstand signaleren met zijn gevaardriehoek op gewone wegen ten minste op 30 m voor het ongeval, en op autosnelwegen op tenminste 100 m.
Hij kan bovendien zijn 4 richtingsaanwijzers laten functioneren. Het voertuig moet niet verplaatst worden bij een ongeval met lichamelijk letsel (wel gesignaleerd worden zo mogelijk).

Bij een ongeval met uitsluitend stoffelijke schade moet elke persoon die bij het ongeval betrokken is:
- Indien hij/zij meer dan 15 jaar oud is moet hij/zij zijn identiteitskaart of het als dusdanig dienende bijwijs vertonen aan de andere in het ongeval betrokken personen die er hem om vragen.
- Ter plaatse blijven teneinde gezamenlijk de nodige vaststellingen te doen, of zo er tussen de partijen geen akkoord is een bevoegde persoon toe te laten de vaststellingen te doen. Indien geen bevoegde persoon binnen een redelijk termijn kan bereikt worden mogen de betrokken personen zodra mogelijk aangifte doen van het ongeval, hetzij op het dichtstbijgelegen politiebureau hetzij op dat van hun woonplaats. Zo een partij die schade geleden heeft evenwel niet aanwezig is moeten de bij het ongeval betrokken personen zoveel mogelijk ter plaatse hun naam en adres opgeven, en in elk geval moeten zij deze inlichtingen zo haast mogelijk rechtstreeks of door tussenkomst van de politie mededelen.
Commentaar: Indien men zich onttrekt aan de nodige vaststellingen pleegt men
“Vluchtmisdrijf” (art 33 van de verkeerswet): Hierop komen we in een volgende aflevering uitgebreid terug.
-Een ongeval met uitsluitend stoffelijke schade moet niet meer vastgesteld worden door de politie . De nodige vaststellingen gebeuren door de betrokken partijen door het invullen van een Europees Aanrijdingsformulier (EAF). Wanneer daaromtrent tussen de partijen geen akkoord bestaat roept men best de lokale politie ter plaatse. Idem wanneer de tegenpartij weigert zijn identiteitskaart te vertonen of tekens van dronkenschap vertoont. Vooraleer men de voertuigen verplaatst is het aangewezen hun stand op de grond af te tekenen met onuitwisbaar vetkrijt.
Tip van de week: Verklaar u nooit, mondeling of schriftelijk, aansprakelijk voor het ongeval: uw verzekeringsmaatschappij verbiedt dit.
Ook als het ongeval vastgesteld wordt door de politie is het aangewezen een Europees Aanrijdingsformulier (EAF) in te vullen.
U kan tijd besparen en stress vermijden door het EAF voordien reeds gedeeltelijk in te vullen. De kolom Voertuig A kan u reeds (bijna volledig) invullen. Wordt het voertuig door een tweede persoon gebruikt: voorzie dan een tweede ingevulde EAF.
Het EAF wordt ondertekend door beide partijen.
Bezorg het EAF met ingevulde keerzijde aan Uw verzekeringsmakelaar of -maatschappij.
Volgende aflevering: het ongeval met doden en/of gewonden – het vluchtmisdrijf.

(T.M.)

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 8

Verplichtingen bij een verkeersongeval – Vluchtmisdrijf

Deze aflevering behandelt de verplichtingen van een persoon die betrokken is in een ongeval dat lichamelijk letsel (doden en/of gewonden) heeft veroorzaakt. In dit geval moet de betrokkene:
- Zo nodig hulp verlenen aan de gekwetsten.
Commentaar: deze verplichting hangt nauw samen met art 422bis van het strafwetboek. (SWB) Hierin wordt bepaald dat iemand strafbaar is wanneer hij of zij verzuimt hulp te bieden aan een persoon die in groot gevaar verkeert indien hij dit kan doen zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen. Het minste dat men kan doen is de hulpdiensten verwittigen of laten verwittigen. Maar ook een beginnende brand blussen of het ter beschikking stellen van zijn verbandkoffertje zijn vormen van hulp.
- Indien betrokkene meer dan 15 jaar oud is moet hij zijn identiteitskaart of het als dusdanig dienende bewijs vertonen aan andere in het ongeval betrokken personen die er hem om vragen.
- Ter plaatse blijven ten einde een bevoegd persoon (de politie) toe te laten de nodige vaststellingen te doen. Onttrekt zich niet aan de verplichting ter plaatse te blijven de persoon die zich tijdelijk van de plaats van het ongeval verwijdert om hulp te verlenen aan de gekwetsten of om beroep te doen op een bevoegd persoon na zijn naam en adres aan de eventueel aanwezige personen te hebben opgegeven. Indien evenwel geen bevoegd persoon binnen een redelijke tijd kan bereikt worden moeten de betrokken personen aangifte doen van het ongeval uiterlijk binnen de vierentwintig uren, hetzij op het dichtst bijgelegen politiebureau hetzij op dit van hun woon- of verblijfplaats.
Commentaar: in tegenstelling tot het ongeval met uitsluitend stoffelijk schade moet het ongeval met doden of gekwetsten vastgesteld worden door een politiedienst. Slechts indien deze politiedienst niet binnen een redelijke termijn kan bereikt worden mag het ongeval binnen de 24 uur aangegeven worden.
Ook wanneer het ongeval vastgesteld wordt door een politiedienst blijft het aangewezen een Europees Aanrijdingsformulier (EAF) in te vullen. Vermeld in dit geval op het EAF het nummer van het opgestelde PV (keerzijde EAF).
Het gebeurt wel meer dat men pas enige tijd na het ongeval vaststelt dat men bij dit ongeval toch gekwetst werd. Doe hiervan aangifte bij de politie.
Vergeet niet Uw mutualiteit op de hoogte te brengen dat uw kwetsuren het gevolg zijn van een verkeersongeval.

Het Vluchtmisdrijf

Een ongeval is een plotse of abnormale gebeurtenis die schade heeft veroorzaakt. Die schade kan materieel zijn of lichamelijk. Wanneer men een bij het parkeren een schram of een indeuking bij een ander voertuig veroorzaakt spreekt men van een ongeval. Schade veroorzaken aan het wegmeubilair, signalisatieborden of signalisatiemateriaal of openbare of private beplanting zijn ongevallen. Een ongeval kan gebeuren op de openbare weg maar ook op een openbare plaats (onze gemeentelijke parkings, parking sportcomplex maar ook de private parkings die vrij toegankelijk zijn: warenhuizen, restaurants).
Telkens dienen bij deze ongevallen vaststellingen te gebeuren, hetzij onderling (stoffelijke schade), hetzij door de politiediensten (lichamelijk letsel). Het verhinderen of onmogelijk maken van deze vaststellingen leidt ons naar het Vluchtmisdrijf. Pleegt vluchtmisdrijf (art 33 van de wegenverkeerswet):
* elke bestuurder van een voertuig of van een dier die, wetend dat dit voertuig of dier oorzaak dan wel aanleiding tot een ongeval op een openbare plaats is geweest of
* hij die wetend dat hijzelf is oorzaak van dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest
de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is. Volgende aflevering: Het vluchtmisdrijf in detail.

Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 9

Het Vluchtmisdrijf

Een der meest ernstige wanbedrijven op de wegenverkeerswet – art 33 – is het Vluchtmisdrijf. Waar het merendeel van de verkeersinbreuken onopzettelijk begaan worden is dit niet het geval bij het vluchtmisdrijf. Hier is wel degelijk sprake van opzet. We herhalen hier even de definitie van het vluchtmisdrijf. Pleegt vluchtmisdrijf:
1. Elke bestuurder van een voertuig of van een rijdier die, wetend dat dit voertuig of dit dier oorzaak, dan wel aanleiding tot een ongeval op een openbare plaats is geweest of,
2. Hij die wetend dat hij zelf de oorzaak van, dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is.


De straffen die gesteld zijn op het vluchtmisdrijf verschillen naargelang het ongeval alleen materiële schade heeft teweeggebracht of dat het ongeval lichamelijk letsel of de dood als gevolg heeft. Bij stoffelijke schade bedraagt de straf minimum 15 dagen tot zes maanden gevangenisstraf en een geldboete van 200 tot 2000 euro. Bij lichamelijk letsel wordt dit vijftien dagen tot twee jaar gevangenisstraf en een geldboete van 400 tot 5000 euro. Bovendien is in dit laatste geval een verval van het recht tot sturen van een motorvoertuig voorzien en het theoretisch en praktisch examen dient afgelegd vooraleer opnieuw aan het verkeer te mogen deelnemen.

Bestanddelen van het misdrijf

Dader: de bestuurder van een voertuig, een fietser of een voetganger die betrokken is in een verkeersongeval, een ruiter
Wetende: de dader moet weten dat hij de oorzaak of de aanleiding was van een verkeersongeval. Wat zijn motieven zijn speelt geen rol: vermijden dat men ontdekt dat hij niet verzekerd rondrijdt, dat hij geen rijbewijs (meer) heeft, dat het voertuig gestolen is of dat hij gestolen voorwerpen vervoert. Of dat de vaststellingen zullen aantonen dat hij te veel gedronken heeft of dat hij op weg is met een dame die niet zijn echtgenote is, enz…
Dienstige vaststellingen: bij eender welk verkeersongeval zijn vaststellingen nodig om de verantwoordelijkheid te bepalen hetzij door de betrokken partijen (stoffelijke schade) hetzij door een politiedienst (gekwetsten of doden). Dienstige vaststellingen behelzen niet alleen het eigenlijke ongeval maar ook de toestand van de bestuurders, de staat van de voertuigen. Zich onttrekken aan een verkeerscontrole is geen vluchtmisdrijf (er is geen ongeval) maar een inbreuk op artikel 4 van het verkeersreglement (geen gevolg geven aan de bevelen van een bevoegde persoon); het wegvluchten uit een ziekenhuis kan vluchtmisdrijf zijn, evenals aanvankelijk wegvluchten en uren nadien terugkeren of ter plaatse blijven maar iemand anders als bestuurder aanduiden.
Ongeval: een plotse en abnormale gebeurtenis die schade heeft veroorzaakt bij derden. De schade kan toegebracht worden aan voertuigen, aan het openbare domein (signalisatie, beplanting, wegmeubilair, de weg zelf) aan privé onroerend goed, dieren die eigendom zijn van particulieren enz…
Op een openbare plaats: de openbare weg zelf maar ook parkings van warenhuizen, betalende parkings, parkings van herbergen en restaurants ook als deze uitsluitend voorbehouden zijn voor klanten.

Tip van de week: In het werk “Misdrijven en sancties in de wegverkeerswet” (Uitg. Kluwer, Rechtswetenschappen Antwerpen 1999, pagina 151 en volgende) waarvan onze dorpsgenoot Mr Martine De Busschere co-auteur is worden de constitutieve elementen van het vluchtmisdrijf uitgebreid behandeld.

Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 10

De veiligheidsgordel

Het jaar 1967 was voor België een rampjaar: op 22 mei vielen bij de brand in het grootwarenhuis A l’Innovation 343 doden, een tornado verwoeste Oostmalle, in Martelange vielen 22 doden wanneer in de dorpskom een tankwagen ontploft. Maar voor de verkeersdeskundigen blijft 1967 het jaar waarin België het jaar afsloot met meer dan 3.000 verkeersdoden (ter plaatse of overleden binnen de 30 dagen). Per 100.000 inwoners gerekend werden we europees recordhouder inzake verkeersonveiligheid. De oorzaken waren duidelijk : een snel groeiend aantal auto’s op niet aangepaste wegennet, we kenden nog geen rijbewijs, er was geen afdoende beleid inzake alcoholgebruik en onze wegenaanleg hield geen rekening met het typische Belgische fenomeen van de lintbebouwing. We hadden zelfs geen reglementering die de technische eisen van de voertuigen of aanhangwagens vastlegde. De toenmalige regering en haar opvolgers beseften dit zo niet verder kon ook al omdat de sociale zekerheid kreunde onder de kosten die de verkeersongevallen teweegbrachten. Het was alleen voor begrafenisondernemers en carrossiers een gouden tijd! 1967 werd op verkeersgebied een kanteljaar.
Reeds in 1967 werd het rijbewijs verplicht aanvankelijk zelfs met een verklaring zonder enig examen maar nadien met verplichte scholing, de ademtest werd ingevoerd en op 15 maart 1968 kregen we het Koninklijk Besluit inzake de technische eisen waaraan de motorvoertuigen moesten voldoen. Dit reglement was ditmaal een voorbeeld dat nadien navolging kreeg in tal van Europese landen. Een aantal voertuigen of types van voertuigen mochten wegens gebrek aan passieve en actieve veiligheid niet meer in België worden ingevoerd, alle voertuigen moesten periodiek gekeurd worden; tweedehands voertuigen mochten slechts verkocht worden na voorafgaande technische schouwing, verbouwingen van voertuigen werden beperkt. Zeer belangrijk in dit verband werd de verplichting dat een autovoertuig voor- en achteraan kreukelzones moest hebben en dat de passagiersruimte een weinig vervormbare veiligheidskooi moest vormen. Er was op dat ogenblik nog geen sprake van een algemeen verplichte gordeldracht. Onder druk van de Amerikaan Ralph. Nader en zijn publicatie“Unsafe at any speed” en de resultaten van het experiment van de Zweedse constructeur Volvo heeft België vrij vlug de veiligheidsgordel verplicht gemaakt, aanvankelijk alleen voor de voorste zitplaatsen nadien ook voor de passagiers achteraan. De combinatie van een onvervormbare veiligheidskooi met gordels die vermijden dat men uit het voertuig geworpen wordt spaart levens. Op dit ogenblik telt België minder dan 1000 doden per jaar. Dit resultaat is voor een belangrijk deel te danken aan de gordel die samen met de airbags en de neksteun op zichzelf al goed is voor de helft minder dodelijke verkeersslachtoffers. Dat we van 3000 naar minder dan de 1000/ jaar doden van vandaag danken we naast de veralgemeende gordeldracht voornamelijk aan de medische inbreng bij het ongevalgebeuren: efficiëntie van onze 100/112 diensten en hun materiaal, scholing van de hulpverleners, bijstand van MUG teams, bekwaamheid van onze spoeddiensten in de klinieken.
Het belang van de gordeldracht kan niet genoeg benadrukt worden. Natuurlijk zal de driepuntsgordel (uitgevonden door een ingenieur van Volvo) wel ooit een schouderblessure of zelfs een sleutelbeenbreuk veroorzaakt hebben maar mondiaal hebben tienduizenden hun leven te danken aan de gordel. Een niet vastgegorde zal bij een aanrijding zijn beweging willen voortzetten en finaal een schedelbreuk oplopen als hij/zij tegen de vooruit terechtkomt of zijn borstbeen breken tegen het stuur. Wanneer men uit het voertuig geslingerd wordt is dit meestal met dodelijke afloop. Kunt u zich inbeelden dat dit met uw kind of kleinkind gebeurt?

Tip van de week: niemand zal het u kwalijk nemen als u als bestuurder vraagt dat iedereen zijn gordel draag, ook achteraan. Integendeel het bewijst dat u bezorgd om uw passagiers. Volgende week: de wet en de verplichte gordeldracht en kinderzitjes.

Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 11

De veiligheidsgordel – Kinderzitjes

Art. 35.1.1. van de wegcode: De bestuurder en de passagiers van auto’s die aan het verkeer deelnemen moeten de veiligheidsgordels dragen op de plaatsen die ermee zijn uitgerust.
Commentaar: het niet dragen van de veiligheidsgordel is een inbreuk van klasse 1 (onmiddellijke inning van 50 euro) en kan begaan worden door de bestuurder maar ook door de inzittende. Dit geldt ook voor de met gordels uigeruste zitplaatsen op autocars. De bestuurder van de autocar of de reisleider moet de passagiers van de autocar hierop attent maken.
Moeten de gordel niet dragen (art 35.2.1.)
1° De bestuurders die achteruit rijden.
2° De bestuurders van taxi’s wanneer zij een klant vervoeren (wel als ze geen klant aan boord hebben).
3° De bestuurders en de passagiers van de prioritaire voertuigen wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt.
4° De personen die in het bezit zijn van een vrijstelling op grond van gewichtige medische tegenindicaties afgeleverd door de minister bevoegd voor de verkeersveiligheid of zijn gemachtigde, of, indien zij in het buitenland wonen, door de bevoegde instanties van dat land.
5° De beambten van de Post wanneer zij in het kader van de postbedeling en postophaling achtereenvolgens op plaatsen die op korte afstand van elkaar gelegen zijn, postzendingen uitreiken of ophalen.
Commentaar: aanvankelijk waren er meer vrijstellingen maar het merendeel is in de loop der jaren weggevallen. Op dit ogenblik wordt de vrijstelling aangevraagd aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Bij de aanvraag dient een doktersattest gevoegd te worden, afgeleverd door een door de aanvrager gekozen dokter. Ontslagnemend Staatssecretaris Schouppe heeft aangekondigd het aantal vrijstellingen drastisch te willen beperken. Uit de vaststellingen door politiediensten blijkt dat nog altijd een ca 20% van de gordelplichtigen de gordel niet draagt. De achtereenvolgende campagnes hebben blijkbaar nog altijd niet iedereen overtuigd! Tussen 1975 en 2007 werden 285.956 Belgen vrijgesteld van het dragen van de gordel d.w.z 8.936 per jaar, veelal dan nog van onbepaalde duur. Ter vergelijking: in Nederland worden per jaar ongeveer 500 aanvragen ingediend en 350 ervan leiden tot een vrijstelling met een maximale geldigheidsduur van 5 jaar. En Nederland telt ongeveer de helft van de Belgische verkeersdoden!!

Kinderzitjes: Kinderen van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm moeten vervoerd worden in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem. Op de zitplaatsen die niet zijn uitgerust met een veiligheidsgordel worden geen kinderen vervoerd van minder dan drie jaar. Op de zitplaatsen voorin die niet zijn uitgerust met een veiligheidsgordel worden geen kinderen vervoerd van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm. Kinderen minder dan 3 jaar moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem (zitje). Kinderen van 3 jaar of meer en minder dan 18 jaar moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem of de veiligheidsgordel dragen eventueel met een verhogingskussen.

Samengevat:
     Op de zitplaatsen in een auto (voor of achter die uitgerust zijn met een gordel):
Kinderen kleiner dan 1,35 m: kinderbeveiligingssysteem verplicht
Kinderen van 1,35 m en groter: kinderbeveiligingssysteem of veiligheidsgordel
     Op de zitplaatsen in een auto (voor of achter) die NIET uitgerust zijn met een gordel:
Kinderen onder de drie jaar: mogen niet worden vervoerd
Kinderen van 3 jaar en ouder, kleiner dan 1,35 m: mogen achterin worden vervoerd.
Commentaar: De kinderzitjes moeten beantwoorden aan de door Europa bepaalde kwaliteitseisen. Zij worden onderverdeeld in verschillende klassen waarbij het gewicht van het kind bepalend is.

Tip van de week: er zijn weinig redenen om de gordel niet te dragen. Zwangerschap is m.i. geen reden, evenmin als de aanwezigheid van een pacemaker bij de gebruiker. Het gebrek aan comfort dat de gordel eventueel meebrengt weegt absoluut niet op tegen de veiligheid die hij garandeert. Praat erover met uw huisarts.
Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 12

Alcohol in het verkeer

Op het vlak van preventie is België nooit een voorloper geweest. Doorgaans loopt onze wetgeving de feiten achterna. Denk aan ons rijbewijs dat er pas kwam nadat we Europees koploper waren geworden met 3000 verkeersdoden (1967). Ook op het vlak van alcoholgebruik door autobestuurders is België maar wakker geschoten nadat op 24 april 1966 een broodbesteller in Asse inreed op een groep scholieren die op het voetpad juist die dag verkeersles kregen. De balans was verschrikkelijk: tien kinderen stierven ter plaatse, de lerares en vier andere kinderen werden zwaar gewond. De Rijkswacht moest de dader beschermen tegen het publiek dat hem poogde te lynchen. Het gevoerde onderzoek wees erop dat de dader, bakkersgast, die nacht gewerkt had, veel te snel reed (100 km/uur) en zwaar geïntoxiceerd was. De bloedproef toonde 2,25 promille aan (=1/2 bak bier).
Vrij vlug nadien werden in de verkeerswet een aantal artikelen ingelast zodat de politiediensten middelen kregen om dronken en alcohol geïntoxiceerden preventief, voor enig ongeval dus, uit het verkeer te verwijderen. De ademtest die erin bestond doorheen een testbuisje gevuld met gele kaliumdichromaatkristallen in een zakje te blazen, wees bij benadering het ethanolgehalte aan en moest gevolgd worden door een bloedproef. Aanvankelijk was het strafbare alcoholgehalte vastgelegd op 0,8 promille, later is dit op aanbeveling van Europa teruggebracht tot 0,5 per duizend waarmee België doet zoals de meeste Europese landen. Wat betekent nu die 0,5 promille?
In België, en dat was reeds zo sinds de besluitwet van 14 november 1939, was het besturen van een voertuig terwijl men in staat van dronkenschap verkeerde, strafbaar. Volgens het Hof van Cassatie (18/1/1954) is iemand dronken: wanneer de persoon zich zodanig onder invloed van alcoholische dranken bevindt dat hij de bestendige controle over zijn daden verloren heeft zonder dat hij noodzakelijkerwijze het bewustzijn verloren heeft. Het is duidelijk dat iemand in dergelijke toestand niet meer kan sturen. In zo’n geval volstaan uiterlijke vaststellingen, een ademtest of een bloedproef zijn niet nodig. Anders is het gesteld met de toestand van een iemand die zonder dronken te zijn in dergelijke mate geïntoxiceerd (letterlijk vergiftigd of bedwelmd) is na het gebruik van alcohol. Wetenschappers hebben immers vastgesteld dat alcohol de werking van het centrale zenuwstelsel verlaagt wat dan weer invloed heeft op een aantal vaardigheden die essentieel zijn om veilig een auto te besturen. Immers autorijden stelt een aantal eisen waaraan de bestuurder veelal tegelijkertijd en continue moet voldoen: de controle op het voertuig behouden, het gedrag van de andere weggebruikers voorspellen, de informatie die aangereikt wordt door verkeersborden en wegwijzers detecteren en interpreteren. Vanaf een kleine hoeveelheid alcohol, vanaf enkele glazen, stelt men vast dat taken die in combinatie met andere taken moeten uitgevoerd worden verstoord worden. Bestuurders die onder invloed van alcohol rijden tonen meer onnodige variatie in snelheid en in de koers die ze proberen te houden. Het opmerken van een hindernis gebeurt later en hun reactietijd verhoogt, zodat het remmen of het uitwijken later aanvangt. Deze verschijnselen treden op vanaf 0,3 promille en dit geldt voor iedereen ook bij de gewoontedrinker. Zeker jonge, onervaren bestuurders moeten hiermede rekening houden.
Het Bloedalcoholgehalte (BAG) bij een persoon is de verhouding van de hoeveelheid alcohol uitgedrukt in gram in 1000 ml bloed. In België en in het merendeel van de Europese landen bedraagt het strafbare BAG tenminste 0,5 gram alcohol per liter bloed. De huidige ademtest en ademanalysetoestellen hebben andere meetstandaarden zodat men de grens van waaraf men strafbaar geïntoxiceerd is legt op 0,22 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht (0,22 mg/l alveolaire lucht komt overeen met 0,5 gr/1000 ml bloed).
Tip van de week: zeer eenvoudig tijdens deze eindejaarsperiode: wees een BOB en stap nooit in bij een dronken of door drugs of alcohol-geïntoxiceerde bestuurder.
Volgende aflevering: Strafbare alcoholintoxicatie.

Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 13

Dronkenschap en strafbare alcoholintoxicatie aan het stuur

Wegenverkeerswet artikel 35:

Met een geldboete van 200 euro tot 2000 euro EN met een verval van het recht tot sturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste één maand en ten hoogste vijf jaar of voorgoed, wordt gestraft hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert of in een soortgelijke staat met name ten gevolge van het gebruik van drugs of van geneesmiddelen.
Commentaar: een waggelende gang, bloeddoorlopen ogen, wartaal, braken, zijn kenmerken van de bedronkene. In dergelijke toestand een voertuig (auto – bromfiets - fiets) of een rijdier (ruiter) besturen of een leerling bestuurder begeleiden is een wanbedrijf dat naast de vrij zware geldboete ook het verval van het recht tot sturen meebrengt. Betrokkene kan ingevolge de wet op de Openbare Dronkenschap (14/11/39) ter ontnuchtering worden opgesloten voor minimum 2 uur tot maximum12 uur.

Wegenverkeerswet artikel 34 §1:
Met een geldboete van 25 Euro tot 500 Euro wordt gestraft hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire (1) lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,5 gram en minder dan 0,8 gram per liter bloed aangeeft.
Commentaar: Dit artikel evenals het hiervoor behandelde Art 35 geldt voor bestuurders die zich bevinden op een Openbare Plaats d.w.z. de openbare weg maar evengoed op openbare parkings of de parkings van herbergen en grootwarenhuizen.
De intoxicatie zal op het ademtesttoestel aangeduid worden door de letter A (alarm). Om het juiste gehalte te kennen zal de blaasproef moeten herhaald worden maar nu op een ademanalysetoestel.

Wegenverkeerswet artikel 34 §2: Met een geldboete van 200 euro tot 2000 euro wordt gestraft:
1° Hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire (1) lucht meet of een bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft.
2° Hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing gedurende de tijd dat hem dit hem ingevolge een positieve ademtest verboden is.
3° Hij die geweigerd heeft zich te onderwerpen aan een ademtest, aan een ademanalyse of, zonder wettige reden geweigerd heeft de bloedproef te laten nemen.
Commentaar: De weigering van de alcoholcontrole (ademtest-ademanalyse- bloedproef) wordt gestraft met dezelfde straf als een positieve test.
De begeleider met het oog op de scholing is de man/vrouw die de leerling chauffeur begeleid tijdens zijn praktijkscholing.
De straffen zoals ze hier zijn bepaald worden uitgesproken door een politie rechtbank. In het merendeel van de gevallen zal de inbreuk afgehandeld worden met een onmiddellijke inning (hetzij een politietransactie hetzij een parkettransactie) volgens de graad van intoxicatie: tussen 0,5 en 0,8 promille : € 137,50 –- van 0,8 tot 1,2 promille: €400 –- van 1,2 tot 1.5 promille: € 550. Boven de 1,5 promille: verwijzing naar de rechtbank waar de rechter de straffen hanteert zoals bepaald in het betreffende artikel (zie Art 34 hiervoor). Een onmiddellijke inning (politietransactie) dient ter plaatse betaald, zo niet volgt een parkettransactie of een dagvaarding voor de rechtbank.
(1) Alveolaire lucht : lucht uit de longblaasjes

Volgende aflevering: de ademtest en ademanalyse – de bloedproef en hun gevolgen.
Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 14

De ademtest en zijn gevolgen

Een paar dagen nadat ik mijn tekst voor de aflevering nr. 13 had binnen gestuurd publiceerde het staatsblad van 30 december een wijziging in de opdeciemen inzake de geldboetes in strafzaken. Deze bedragen worden vanaf 1 januari van 2012 6 i.p.v. 5,5 voorheen. De onmiddellijke inning bij een gemeten alcoholgehalte van 0,22 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht (UAL) doch lager dan 0,35 m per liter UAL wordt aldus vanaf 1 januari 2012 € 150 i.p.v. € 137,50.

De ademtest en de ademanalyse
Een ademtest kan opgelegd worden:
1° aan de vermoedelijke dader van een verkeersongeval of aan eenieder die met mede heeft kunnen veroorzaken, zelfs indien hij er het slachtoffer van is;
2° aan ieder die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleid met het oog op de scholing;
3° aan ieder die op het punt staat om op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te besturen of op het punt staat een bestuurder te begeleiden met het oog op de scholing.
Commentaar: Volgens 1° hiervoor kan ook een voetganger of gelijkgestelde, indien hij bij een ongeval betrokken is, onderworpen worden aan een ademtest. Ook een (brom-) fietser, of een ruiter kunnen getest worden. Ook de begeleider van een leerling-bestuurder tijdens de praktijkles. De personen bedoeld in paragraaf 3° kunnen onderworpen worden aan de test vooraleer zij effectief rijden: de man of vrouw die zich naar zijn/haar voertuig begeeft of in zijn voertuig heeft plaatsgenomen zonder te rijden kan getest worden. Hetzelfde geldt voor de begeleider van een rijschool of de begeleider in het vrije stelsel.
Het testtoestel zal na de meting op zijn display aanduiden:
De letter S van safe = veilig
De letter A van Alarm= ten minste 0,22 mg per liter UAL maar minder dan 0,35 mg per liter UAL of ten minste 0,5 gram alcohol per 1000 ml bloed maar minder dan 0,8 gram per 1000 ml bloed.
De letter P van positief = ten minste 0, 35 mg per liter UAL of ten minste 0,8 gram alcohol per 1000 ml bloed.
De ademtest duidt het niveau van de alcoholopname in de uigeademde alveoalaire lucht (lucht uit de longblaasjes). Voor een exacte bepaling van het alcoholgehalte is echter een tweede meer nauwkeurige meting nodig maar deze gebeurt dan met een ademanalyse of door een bloedproef. De gevolgen van deze metingen zijn naargelang hun uitslag:
1° Ten minste 0,22 mg maar minder dan 0,35 mg per liter UAL: stuurverbod voor alle voertuigen of verbod tot begeleiding van een leerling-chauffeur van drie uren + inhouding rijbewijs voor dezelfde duur + onmiddellijke inning van 150 euro.
2° Ten minste 0,35 mg per liter UAL: stuurverbod voor alle voertuigen of verbod tot begeleiding van een leerling chauffeur van zes uren (1) + inhouding rijbewijs voor dezelfde duur + onmiddellijke inning van 400 euro (van 0,35 mg tot 0,52 mg per L UAL of 0,8 tot 1,2 gram per 1000 ml bloed) of 550 euro indien alcoholgehalte 0,52 tot 0,65 mg per L/UAL bedraagt of 1,2 tot 1,5 gram alcohol per 1000 ml bloed (2). 3° Indien het gemeten alcoholgehalte ten minste 0,65 mg per liter UAL is geen onmiddellijke inning mogelijk en moet de betrokkene voor de rechtbank verschijnen.

(1) Na afloop van het stuurverbod (zes uren) wordt opnieuw een ademstest opgelegd waarbij het stuurverbod kan verlengd worden met, naargelang de uitslag ervan, drie of zes uren.
(2) Naast de inhouding van het rijbewijs door de politiedienst kan de procureur des Konings (parket) de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs bevelen. Deze veiligheidsmaatregel bedraagt doorgaans 15 dagen.
Een alcoholcontrole kan aselectief zijn (alle bestuurders worden getest) of selectief zijn (de bevoegde persoon selecteert al dan niet met behulp van een “alcoholsnuffelaar” de bestuurders die getest zullen worden.
Tip van de week: De haltes van de buslijnen 65 en 67 liggen binnen de bebouwde kom van Lovendegem. De bestuurder die dezelfde richting volgt als de autobus moet deze de mogelijkheid geven zijn halte te verlaten wanneer de autobus met zijn richtingsaanwijzers zijn voornemen daartoe heeft kenbaar gemaakt. De halte op Vellare ligt nog binnen de bebouwde kom.
(wordt vervolgd) Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 15

Alcoholintoxicatie

1. In de vorige afleveringen van deze reeks is het al duidelijk geworden alcohol en rijden niet samen gaan. Waar voorheen (tot 1958) het rijden in staat van dronkenschap strafbaar was (Besluitwet van 14 november 1939) is nu ook het rijden na een bepaalde hoeveelheid alcohol gebruikt te hebben strafbaar zonder daarom echt dronken te zijn. Men had immers vastgesteld dat ook geringe hoeveelheden alcohol het reactievermogen en beoordelingsvermogen negatief beïnvloeden en dus de rijvaardigheid aantasten. Onderzoeken in de USA, Canada en Zweden hadden aangetoond dat het risico om een dodelijk ongeval te veroorzaken verdubbelt vanaf een alcoholgehalte van 0,5 gram per liter bloed (drie à vier glazen alcohol). Tot 1976 gebeurde deze meting met een bloedproef waarbij een labo het alcoholgehalte vaststelde. Tegenwoordig is de bloedproef slechts uitzonderlijk nodig en de huidige apparatuur meet nu de hoeveelheid alcohol in de uitgeademde lucht. De waarden vanaf waar iemand strafbaar is zijn niet gewijzigd: 0,5 gram per liter bloed komt overeen met 0,22 milligram per liter uitgeademde lucht; 0,8 gr/liter bloed wordt in de huidige apparatuur 0,35 mg/l UAL.
2. De lucht die door de huidige meetapparatuur ontleed wordt moet uit de longblaasjes komen. Alcohol die nog in de mond aanwezig was, beïnvloedt het resultaat en is schadelijk voor de apparatuur zelf. Om dit te vermijden bepaalt artikel 23 van het K.B. van 21 april 2007 dat de personen die een ademtest moeten ondergaan een wachttijd van 15 minuten mogen vragen. Indien de ademanalyse opgelegd wordt zonder voorafgaande ademtest mogen de betrokkenen ook een wachttijd vragen van 15 minuten; dit uitstel kan maar eenmaal gevraagd worden dus ofwel voor de ademtest of, indien deze niet plaatsvindt, voor de ademanalyse.
3. Het exacte alcoholgehalte wordt bepaald door het analysetoestel. Dit resultaat wordt (door het toestel zelf afgedrukt in twee exemplaren. Eén exemplaar gaat samen met het proces-verbaal (PV) naar het parket, het tweede exemplaar wordt samen met het afschrift van het PV aan de gecontroleerde toegezonden.
4. Om alle rechten van de verdediging te waarborgen heeft de gecontroleerde het recht een tweede ademanalyse te vragen (K.B. 21 april Art 26). Indien de alcoholconcentratie minstens 0,35 mg /l UAL bedraagt kan de betrokkene een bloedproef als tegenexpertise vragen. Indien deze de vaststellingen van de ademanalyse bevestigt zijn de kosten van deze bloedproef voor hem.
5. De weigering zich te onderwerpen aan een ademtest of ademanalyse is steeds strafbaar en wel met de straffen voorzien voor een alcoholgehalte van tenminste 0,35 mg per liter uitgeademde lucht. Er bestaan geen wettige redenen om de ademtest of -analyse te weigeren.
Er bestaat wel een onmogelijkheid om de ademtest of -analyse te ondergaan: de persoon die een tracheotomie heeft ondergaan (met tracheostoma) is niet in staat de ademtest of -analyse te ondergaan.
6. Het stuurverbod dat volgt uit een alcoholconcentratie (drie uren of zes uren) geldt voor alle voertuigen. Zich na zes uren per fiets op het politiebureau aanbieden is dus geen goed idee. Het stuurverbod gaat onmiddellijk in en eindigt na drie of zes uren. In het laatste geval wordt de bestuurder onderworpen aan een nieuwe ademtest of ademanalyse vooraleer een voertuig of een rijdier op een openbare plaats te mogen besturen. Ook bij de weigering van een ademtest of -analyse volgt automatisch een rijverbod van zes uren.
7. Behalve wanneer het voertuig ingehouden of in beslag wordt genomen om een andere reden dan de dronkenschap of alcoholintoxicatie kan het voertuig verder gebruikt worden bijvoorbeeld door een mede-inzittende. Deze kunnen wel voorafgaand aan een ademtest of -analyse worden onderworpen op grond van art 59 & 1 3° van de wegenverkeerswet (“aanstalten maken om te sturen”). De strafbaar geïntoxiceerde mag wel in het voertuig vervoerd worden.

Tip van de week: de ademtest en de ademanalyse en de bloedproef meten enkel hoeveel alcohol in het lichaam (bloed of adem) aanwezig is. Welke de invloed deze intoxicatie op de persoon in kwestie heeft wordt niet bepaald want deze verschilt van persoon tot persoon: de regelmatige of gewoontedrinker zal bij eenzelfde alcoholverbruik in vergelijking met de persoon die zelden drinkt weliswaar minder of trager beïnvloed worden door de alcohol maar het gemeten alcoholgehalte zal bij beide personen hetzelfde zijn. Er is wel een verschil tussen man en vrouw: deze laatste zal in vergelijking met een man bij een zelfde verbruik een hogere graad van intoxicatie bereiken. Ook de combinatie van geneesmiddelen en alcohol beïnvloed het resultaat negatief. Lees steeds bijsluiter van het medicament.

Er bestaat geen enkel middel of trucje om het alcoholgehalte naar beneden te krijgen!

(wordt vervolgd) Tony Mestdag

Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 16

Stilstaan en Parkeren

Als Okra-lesgever verkeer bezoek ik nogal wat Vlaamse gemeenten. Daarbij valt het me op dat de manier waarop Lovendegem door een combinatie van verschillende parkeermodellen een compromis heeft gevonden dat zowel de bewoners als de bezoekers, de handelaars evengoed als de dienstverleners ten goede komt. Ik durf gerust het parkeerbeleid van Lovendegem als voorbeeld stellen voor andere vergelijkbare gemeenten. Daartoe is het wel nodig dat de bestaande algemene en aanvullende reglementen nageleefd worden. We zullen deze dan ook in enkele afleveringen behandelen of opfrissen.

1. Stilstaan en parkeren: “stilstaand voertuig”: is een voertuig dat niet langer stilstaat dan nodig is voor het in-of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken (wegcode art 2.22).
Voorbeelden: taxichauffeur laadt een klant op - ouders laten hun kinderen uitstappen aan school – een brandstofhandelaar levert stookolie – een verhuizer laadt de inboedel van een woning op - een schoolbus laat leerlingen op – of uitstappen.

2. Geparkeerd voertuig: is een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in-of uitstappen personen of voor het laden of lossen van zaken (wegcode art 2.23).
Voorbeelden: bezoek aan winkel of bank- kerk(hof)bezoek, bijwonen vergadering of voorstelling, restaurantbezoek, winkelen, enz…
Commentaar: het verschil tussen beiden ligt dus niet in de duur van het stilstaan. Het wettelijke stilstaan duurt soms langer dan het parkeren. Bij stilstaan is doorgaans de bestuurder aanwezig die in voorkomend geval zo nodig het voertuig kan verplaatsen.

Hoe en waar dienen stilstaande of geparkeerde voertuigen worden opgesteld?
(wegcode art 23)
1. Rechts ten opzichte van zijn rijrichting. Indien het een rijbaan is met éénrichtingsverkeer mag het evenwel langs de ene of langs de andere zijde opgesteld worden.
2. Buiten de rijbaan op de gelijkgrondse berm of buiten de bebouwde kommen op eender welke berm.
Indien het een berm betreft die de voetgangers moeten volgen, moet langs buitenkant van de openbare weg een begaanbare strook van ten minste 1,50 meter breed vrij gelaten worden. Indien de berm niet breed genoeg is, moet het voertuig gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op de rijbaan opgesteld worden. Indien er geen bruikbare berm is, moet het voertuig op de rijbaan opgesteld worden.
Elk voertuig dat volledig of ten dele op de rijbaan opgesteld is, moet geplaatst worden:
a) Zover mogelijk van de aslijn van de rijbaan
b) Evenwijdig met de rand van de rijbaan, behoudens bijzondere plaatsaanleg
c) In één enkele file.
Commentaar: Niemand, ook geen voertuig dat stilstaat om te lossen of te laden, mag in tweede file stilstaan. Ook geen autobus, schoolbus of autocar!
Motorfietsen zonder zijspan of aanhangwagens mogen evenwel haaks op de rand van de rijbaan voor zover zij daarbij de aangeduide parkeermarkering niet overschrijden.
Fietsen en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de parkeerzones opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken behalve op de plaatsen die voor hen voorbehouden en als dusdanig gesignaleerd zijn.
Motorfietsen mogen op de trottoirs en, binnen de bebouwde kom op de verhoogde bermen worden opgesteld, zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken en op voorwaarde dat een begaanbare strook van tenminste 1,50 m vrij gelaten wordt.

Tip van de week: Het is de fietsers (nog) niet toegelaten om het rood licht voorbij te rijden en rechts af te slaan onder dekking van een nieuw gevaarsbord: men (het parlement vol met juristen!) had niet opgemerkt dat er een wettelijke hiërarchie bestaat inzake verkeersreglementering: 1. Bevelen van een bevoegd persoon; 2. Verkeerslichten; 3. Verkeerstekens en Verkeersregels. Zonder een wijziging van art 6 van de wegcode kan een verkeersbord de verplichting tot stoppen bij rood verkeerslicht niet opheffen.

(wordt vervolgd) Tony Mestdag

Alle afleveringen van deze verkeerscursus vindt U ook op www.okralovendegem.be in de rubriek mobiliteit.
Naar boven


Goed om weten - Wegverkeer - Afl. 17

Stilstaan en Parkeren

Een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hen onnodig zou kunnen hinderen. Deze vrij algemene omschrijving wordt verduidelijkt door artikel 24 van de wegcode die een aantal plaatsen opsomt waar het stilstaan of parkeren gevaar oplevert of anderen onnodig zou kunnen hinderen. Deze plaatsen, waar het stilstaan en parkeren verboden is, zijn:

a) de trottoirs en binnen de bebouwde kom de verhoogde bermen
b) de fietspaden en op minder dan 5 meter van de plaats waar de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden
c) op de overwegen
d) op de oversteekplaatsen voor voetgangers (zebrapaden) en de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen en de rijbaan op minder dan 5 meter voor deze oversteekplaatsen;
e) op de rijbaan in de onderbruggingen, in de tunnels en behoudens plaatselijke reglementering onder de bruggen
f)op de rijbaan nabij de top van een helling en in een bocht wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is
g) in de nabijheid van de kruispunten op minder dan 5 m van de verlenging van de naastbij gelegen rand van de dwarsrijbaan behoudens plaatselijke reglementering.
Commentaar: er bestaat heel wat rechtspraak die de bestuurder die deze 5meter niet in acht neemt en hierdoor het zicht op de kruispunt belemmert verantwoordelijk stelt voor het ongeval dat hierdoor ontstaat.
h) op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten op de kruispunten behoudens plaatselijke reglementering
i) op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten buiten de kruispunten
j) Op minder dan 20 m voor de verkeersborden.
De bepalingen van i) en j) hiervoor gelden niet voor de voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt wanneer de onderkant van die verkeersborden of lichten zich tenminste 2 m boven de rijbaan bevindt.
Let wel om in de gevallen van 9. en 10. Hiervoor op minder dan 20 m voor de borden of lichten te mogen stilstaan dienen twee voorwaarden gekoppeld aanwezig te zijn: voertuig maximum 1.65 hoog en de onderkant van de lichten of borden moet zich op minimum 2 m boven de grond bevinden.
Commentaar: de opsomming hiervoor (van 1 tot 10) van plaatsen waar niet mag stilgestaan of geparkeerd worden is niet limitatief: overal waar men andere weggebruikers in gevaar brengt of hen onnodig hindert is het stilstaan of parkeren verboden.
Deze plaatsen worden niet of zelden gesignaleerd met een verkeersbord.

Tip van de week: de gelijkgrondse berm (pechstrook) is de gevaarlijkste plaats op een autosnelweg. Als u om een of andere reden (pech, ongeval) geïmmobiliseerd wordt neemt u plaats achter de vangrails samen met uw passagiers. Plaats uw gevarendriehoek op minstens 100 m voor het voertuig en draag als bestuurder uw fluovestje. Op de pechstrook mag nooit geparkeerd worden om een andere reden dan overmacht(pech, ongeval). Steek nooit de rijbanen van een autosnelweg over om bijvoorbeeld de praatpaal aan de overkant te bereiken: u wordt verrast door de snelheid van de naderende voertuigen!
Volgende aflevering: Het parkeerverbod en de beperkte parkeertijd (blauwe zone en betalend parkeren).

Tony Mestdag

Naar boven


Lovendegemse verkeersproblemen




Wedstrijd ‘Kennis van het verkeersreglement’


Reeks 1

Dit is de verkeerswedstrijd die verschenen is in de loop van 2010 als bijlage aan ons ledentijdschrift OuderEnWijzer.

1. De passagier op de achterbank van een rijdende auto draagt zijn autogordel niet. Ten laste van wie wordt het proces-verbaal opgesteld?
     A. De passagier
     B. De bestuurder
     C. Beiden.

2. Een voetganger die de rijbaan wil oversteken moet de oversteekplaats voor voetgangers gebruiken indien hij zich bevindt op minder dan ongeveer ... meter van dit zebrapad.
     A. Twintig meter
     B. meter
     C. 30 meter.

3. Iemand neemt op zaterdag 22 mei 2010 om 17.32 u. een ticket aan de parkeerautomaat op de parking Kasteeldreef (Kerkhof). Wanneer eindigt zijn gratis parkeertijd volgens het afgedrukte ticket?
     A. op 22 mei om 19.32 u.
     B. op 24 Mei om 11 u.
     C. op 25 mei om 10.32 u.

4. Een voetganger kan onderworpen worden aan een ademtest.
     A. Ja in welbepaalde omstandigheden
     B. Neen, nooit.

5. De maximum breedte van een op een fiets vervoerde lading bedraagt:
     A. 1 meter
     B. 0,75 meter
     C. 1,25 meter.

6. Bij sommige ernstige verkeersinbreuken kan de Procureur des Konings het rijbewijs onmiddellijk intrekken. Voor welke periode?
     A. één maand
     B. 15 dagen
     C. drie maanden.

7. Op hoeveel meter voor een zebrapad moet een parkerend voertuig worden opgesteld?
     A. 7 meter
     B. 5 meter
     C. twee meter.

8. Hoeveel uren na elkaar mag een aanhangwagen, een caravan bijvoorbeeld, op dezelfde plaats van de openbare weg blijven parkeren?
     A. 12 uur
     B. 24 uur
     C. 48 uur.

9. Mag een rijdende fietser zijn draagbare telefoon gebruiken?
     A. Ja
     B. Neen
     C. Enkel als hij opgebeld wordt.

10. De koppelingsinrichting (trekhaak) van een personenauto is onderworpen aan een technische keuring (schouwing) voor de ingebruikstelling.
     A. Ja
     B. Neen als deze enkel gebruikt wordt als fietsdrager
     C. Neen.

De antwoorden op de wedstrijd vindt je door hier te klikken.

Naar boven

Reeks 2

1. Mag ik in de Molendreef, richting Dorp, ter hoogte van de dagbladwinkel Medi-Jo, met mijn auto in tweede file stilstaan om vlug een krant te gaan kopen?
     A. Neen
     B. Ja, maar ik moet mijn vier richtingsaanwijzers gebruiken
     C. Ja maar maximum vijf minuten.

2. Voor zover zij de andere weggebruikers niet hinderen mogen kinderen op het trottoir fietsen indien hun fiets uitgerust is met wielen met een diameter van ten hoogste 500 mm, banden niet inbegrepen. Maar welk is de leeftijd van deze kinderen?
     A. Minder dan 7 jaar
     B. Minder dan 8 jaar
     C. Minder dan 9 jaar.

3. Moet de houder en gebruiker van een parkeerkaart voor personen met een handicap ook nog zijn parkeerschijf gebruiken indien hij parkeert in de Diepestraat?
     A. Neen
     B. Ja.

4. De hoofdgroeven, op de loopstrook van de banden van een bromfiets moeten een diepte hebben van:
     A. 1,4 mm
     B. 1,2 mm
     C. 1 mm.

5. Hoeveel voldoend doelmatige remmen moet de fiets van een volwassen persoon hebben?
     A. Twee
     B. Een volstaat.

6. Over hoeveel ruimte (breedte) in de wagen moet de bestuurder van een auto minimum beschikken?
     A. 0,60 m
     B. 0,55 m
     C. 0,50 m.

7. Mijn fiets is bestendig uitgerust met een hoefijzerslot op het achterwiel. Moet ik dit slot gebruiken indien ik mijn fiets achterlaat in de fietsenstalling op het trottoir aan de KBC (kruispunt Kasteeldreef en Molendreef)?
     A. Ja
     B. Neen.

8. Ik rijd met een auto vanuit de Diepestraat naar Vellare. Welk is het bedrag van de Onmiddellijke Inning (‘Boete’) die ik moet betalen wanneer ik niet stop voor het verkeersbord B5 (stopteken)?
     A. € 50
     B. € 100
     C. € 150.

9. Een cardioloog plaatst een pacemaker bij een patiënt. Kan deze specialist een vrijstelling verlenen tot het dragen van de veiligheidsgordel?
     A. Ja
     B. Neen
     C. Ja maar maximum voor 3 maand.

10. Op ons containerpark (‘Bilksken’) botsen twee voertuigen. Eén van de bestuurders lijkt dronken. Kan hem een ademtest worden opgelegd?
     A. Ja
     B. Neen.

De antwoorden op de wedstrijd vindt je door hier te klikken.


Naar boven

Reeks 3

1. Ik moet geen helm dragen wanneer ik een fiets met elektrische motor bestuur op voorwaarde dat deze motor slechts werkt samen met de pedalen en het vermogen ervan niet hoger is dan:
     A. 0,25 kW
     B. 0,30 kW
     C. 0,50 kW.

2. Fietsers in groep mogen onder bepaalde voorwaarden per twee op de rijbaan rijden. Maar vanaf hoeveel fietsers spreekt men van een groep?
     A. 50
     B. 25
     C. 15.

3. Ik ga mijn kleindochter van 2,5 jaar afhalen aan de kinderopvang. Ik zou ook haar vriendinnetje dat even oud is willen meenemen. Ik heb echter maar één kinderzitje. Wat nu?
     A. Het vriendinnetje mag mee maar het moet de gordel dragen
     B. Het vriendinnetje mag mee als het op de achterbank zit en de gordel draagt
     C. Het vriendinnetje mag niet mee

4. Welk is de maximum snelheid om over een verkeersdrempel te rijden?
     A. 50 km/uur
     B. 40 km/uur
     C. 30 km/uur.

5. Bij een alcoholcontrole moet ik een ademtest afleggen. De politieagent vertelt mij dat ik 0,3 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht in mijn lichaam heb.
     A. Geen probleem, ik mag verder rijden
     B. Mijn rijbewijs wordt ingetrokken voor 3 uur.

6. Ik rij met mijn auto in de Molendreef richting Dorp. Op ongeveer 30 m voor mij zie ik een bus van De Lijn die de halte aan de school ‘De Bron’ wil verlaten en daartoe zijn linkerrichtingaanwijzer heeft aangezet. Wat moet ik doen?
     A. Vertragen en zo nodig stoppen: de bus heeft voorrang
     B. Doorrijden: de bus wil een manoeuvre uitvoeren en moet mij dus voorrang verlenen.

7. Om mijn auto te verkopen zou ik hem voor mijn oprit willen plaatsen op de rijbaan met een bordje ‘Te Koop’ erop. Mag dat?
     A. Ja maar alleen tussen het aanbreken van de dag en het vallen van de avond
     B. Ja op voorwaarde dat de nummerplaat ervan leesbaar op mijn oprit is aangebracht
     C. Neen.

8. Een auto valt overdag in panne op de autosnelweg en plaatst zich op de pechstrook. In afwachting van de komst van de pechverhelpingsdienst plaatsen de 4 inzittenden zich veilig achter de metalen stootband. Wie moet een reflecterende veiligheidsvest drage
     A. Iedereen
     B. De bestuurder
     C. Alleen de volwassenen.

9. Hoe ver mag een lading, een ladder bijvoorbeeld, uitsteken buiten het vooreinde van een personenwagen?
     A. Mag niet uitsteken
     B. 0,50 m
     C. 1,00 m.

10. Klopt het dat de steun van een brandblusapparaat aan het voertuig moet worden vastgemaakt en dat het afnemen ervan niet meer dan 10 seconden in beslag mag nemen?
     A. Ja
     B. Neen.

De antwoorden op de wedstrijd vindt je door hier te klikken.


Naar boven

Reeks 4

1. Welke is de vereiste minimum leeftijd van de bestuurder van een bromfiets klasse B om zijn vriendinnetje te mogen meevoeren?
    A. 16 jaar
    B. 18 jaar
    C. 21 jaar.

2. Welk is de maximum toegelaten snelheid van een bromfiets klasse B die rijdt in de Molendreef, richting Dorp ter hoogte van de hoofdingang van de Triangel?
    A. 25 km/uur
    B. 30 km/uur
    C. 45 km/uur.

3. De uitslag van een ademanalyse bij de bestuurder van een auto wijst op een alcoholintoxicatie van 0,40 miligram per liter uitgeademde alveolaire lucht. De bestuurder moet dus zijn rijbewijs type B voor minstens zes uur inleveren. Mag hij in die periode met zijn fiets rijden?
    A. Neen
    B. Ja.

4. Mijn zoon valt in de Dreef in Zomergen met zijn auto in panne. Met mijn noodkoppeling bestaande uit een stalen kabel wil ik hem depanneren naar de garage Moka in Lovendegem. Mag dat?
    A. Neen
    B. Ja maar tegen maximum 50 km/u
    C. Ja maar tegen maximum 25 km/u.

ïmmobiliseerde remorque?
    A. Minimum 30 m
    B. minimum 50 m
    C. minimum 100 m.

6. De fietser die een groep fietsers begeleidt bij een gezamelijk te maken tochtje is:
    A. een Wegkapitein
    B. een Signaalgever
    C. een Groepsleider.

7. Een volwassen fietser rijdt om 19.00 u op de rijbaan in de Molendreef richting Grote Baan. De verkeerslichten te hoogte van de school staan op rood alhoewel er blijkbaar niemand de rijbaan wil oversteken. Hij negeert het rode licht. Welke onmiddellijke inning riskeert hij?
    A. 50 euro
    B. 100 euro
    C. 150 euro.

8. Een fietser krijgt in Appensvoorde ter hoogte van het rusthuis Diepenbroeck (De Reus en de Reuzin) een lekke band. Hij wil te voet met zijn fiets verder gaan richting Grote Baan. Langs welke kant van de weg moet hij gaan?
    A. Eender welke kant
    B. Links in de gevolgde richting
    C. Rechts in de gevolgde richting.

9. Bij het halfmaandelijks beurtelings parkeren wijzigt de 15e en de laatste dag van de maand de kant van de rijbaan waar dient geparkeerd te worden. Maar om welk uur?
    A. tussen 19.00 en 20.00 uur
    B. tussen 19.30 en 20.00
    C. tussen 20.00 en 20.30 uur.

10. Men mag niet parkeren op minder dan 20 meter voor een verkeersbord maar dat geldt niet wanneer de onderkant van het verkeersbord zich op minstens 2 m boven de grond bevindt en de auto zelf niet hoger is dan:
    A. 1,45 m
    B. 1,55 m
    C. 1,65 m.

De antwoorden op de wedstrijd vindt je door hier te klikken.

Naar boven
C